|
29-03-2008 Arbeidsrechterlijk gezien is er weinig verschil tussen een tijdelijk contract en een contract voor.... (Algemeen Dagblad)
29-03-2008 Tekst: Harry van Dooren Illustratie: Berend Vonk - Contract is er om te verbreken (Algemeen Dagblad)
29-03-2008 Heeft investeren in reïntegratie zin? (De Telegraaf)
29-03-2008 Als het maar plezier oplevert Welke loopbaan volg jij... (De Pers)
28-03-2008 Niet alleen jonge moeders kiezen voor deeltijd (Staatscourant)
28-03-2008 Recordaantal werklozen integreert dankzij UWV (Trouw)
28-03-2008 De prijs van China wordt steeds hoger (de Volkskrant)
28-03-2008 Arbeidsmarkt komt in rustiger vaarwater (Cobouw)
28-03-2008 UWV, CWI en gemeente werken eind 2008 samen (Het Financieele Dagblad)
Arbeidsrechterlijk gezien is er weinig verschil tussen een tijdelijk contract en een contract voor....
29-03-2008
Arbeidsrechterlijk gezien is er weinig verschil tussen een tijdelijk contract en een contract voor onbepaalde tijd. Een contract voor onbepaalde tijd is zelfs gemakkelijker te ontbinden dan een jaarcontract. Het nadeel (of het voordeel) van het jaarcontract is dat het zonder juridische rompslomp te beëindigen is.
Toch wordt de ontslagbescherming van vaste contracten vaak als een economisch nadeel ervaren. Door de ontslagbescherming bij vaste contracten te verminderen, zullen mensen vaker werkloos raken, maar ook weer sneller een nieuwe baan vinden. Per saldo zal de werkloosheid vermoedelijk licht dalen, zegt bijvoorbeeld het Centraal Planbureau.
De voordelen...
Ontslagbescherming zorgt ervoor dat werknemers een ontslagvergoeding of een opzegtermijn krijgen. Dit biedt een inkomensverzekering (naast WW en bijstand) in geval van ontslag.
Een tweede voordeel is dat ontslagbescherming voorkomt dat werkgevers economische tegenspoed al te gemakkelijk kunnen afschuiven op werknemers. Minder ontslagen betekent minder uitkeringen. Ook kan ontslagbescherming scholing bevorderen, omdat de werkgever wil investeren in zijn werknemer.
... en de nadelen
Werkgevers ontslaan werknemers minder snel, maar zijn ook terughoudender bij het in dienst nemen van nieuwe werknemers. Wie een vast contract heeft, is minder snel geneigd een overstap te maken wanneer hij daardoor 'teruggaat' naar een jaarcontract. Door lagere doorstroming is het moeilijker economische ontwikkelingen bij te benen. Langdurige werkloosheid kan leiden tot verlies van kennis en vaardigheden, en tot loonstijging: werkenden ondervinden minder concurrentie van werkzoekenden.

Contract is er om te verbreken
29-03-2008
Tekst: Harry van Dooren
Een vast arbeidscontract is een raar ding: een werkgever verplicht zich tot het voor onbepaalde tijd in dienst houden van een werknemer, terwijl die laatste zich alleen verplicht tot een opzegtermijn van een of twee maanden. Tijd voor verandering?
Een gemiddelde arbeidscarrière in Nederland ziet er al een halve eeuw hetzelfde uit. Je begint met wat tijdelijke contracten en een krap salaris, ligt er bij elke reorganisatie als eerste uit en geen vakbond die daar om maalt. Na een paar jaar is iemand zo gek om je een vast contract te geven, en ineens beginnen de zekerheden binnen te stromen. De secundaire arbeidsvoorwaarden worden steeds beter, elk jaar een automatische loonsverhoging - zelfs als je niet echt je best doet. Je spaart voor een mooi pensioen en zit het even tegen, dan meld je je gewoon ziek. Daar word je echt niet om ontslagen.
Op je 50ste heb je een gouden strop om je nek. Geen andere werkgever wil zo'n dure jongen overnemen. Dus 'moet' je nog vijftien jaar door met dezelfde baas en dezelfde collega's en ben je bij alweer een reorganisatie opeens minder blij dat de goedkope jongste bediende eruit vliegt. Helaas, jij bent te duur om met vervroegd pensioen te sturen.
Een baan voor het leven is een verlammende ambitie, maar onveranderd burgermans droom. Verlangen naar zekerheid is menselijk. En in het Nederlandse arbeidsstelsel zeldzaam lucratief, zoals hiervoor beschreven. Hoe anders is dat bij mensen met een tijdelijk contract, flexwerkers en zelfstandigen. De vanzelfsprekendheden van de vaste baan (arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioen) zijn voor de zelfstandige vaak onbetaalbaar. Of anders gezegd: zou hij die verzekeringen in zijn uurprijs doorberekenen, dan zou hij zich in veel branches uit de markt prijzen. Ook mensen met een tijdelijk contract grijpen regelmatig mis. Geen of mindere secundaire arbeidsvoorwaarden en een pensioenopbouw vol gaten.
Daarnaast werken allerlei wettelijke regels niet bepaald in het voordeel van een goede flexibele relatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Werkt iemand te veel voor dezelfde baas, dan wordt dat beschouwd als een schijndienstverband en kan de opdrachtgever opdraaien voor premies en ziektegeld.
Is de flexibele arbeidsmarkt een illusie? Regels en cultuur - ja zelfs die van werkgevers - lijken gericht op een baan voor het leven. Terwijl een echt flexibele arbeidsmarkt best aantrekkelijk kan zijn en niet alleen voor werkgevers.
De gouden strop die werknemers immobiel maakt, daar moeten we vanaf. Zodat het op elk moment in je carrière veel makkelijker wordt van baan te wisselen als jij dat wilt. Leeftijd staat niet meer gelijk aan onbetaalbaar, waardoor je ook op je 50ste een carrièreswitch kunt maken.
De econoom
Econoom en directeur van de Argumentenfabriek Frank Kalshoven weet hoe we van de gouden strop afkomen. Vaste contracten bieden schijnzekerheid, is zijn vaste overtuiging. Bedrijven bestaan korter, reorganiseren vaker en veranderen regelmatig van koers. Werknemers die daar niet op voorbereid zijn, zichzelf niet ontwikkelen en scholingskansen laten liggen, staan vroeg of laat op straat. Zijn stokpaardje: 'Werknemers moeten weerbaarder worden, krachtiger en onafhankelijker van hun werkgever.'
Als het aan Kalshoven ligt, duren arbeidscontracten in de toekomst niet langer dan vijf jaar. Wie binnen die tijd wordt ontslagen, heeft recht op een ontslagvergoeding voor de maanden dat zijn contract nog zou lopen. Een radicale breuk met het huidige ontslagrecht, waar verleden bepalend is voor de ontslagvergoeding.
Tegenstanders betogen dat het afschaffen van baanzekerheid tot een golf van ontslagen zou kunnen leiden. Dat is voor Kalshoven alleen maar het bewijs dat het huidige systeem niet deugt: ,,Het vaste contract is de oorzaak van veel stagnatie. Blijkbaar zitten werkgevers en werknemers nu met elkaar opgescheept, al lopen loon en productiviteit soms ver uit elkaar. Dat is economisch niet efficiënt en stoort ook de arbeidsvreugde.''
Dat arbeidszekerheid en een gestage stijging van inkomen hand in hand gaan met een traditionele levensloop, waarin op een gegeven moment een huis wordt gekocht waarvoor een hypotheek nodig is, vindt Kalshoven kul. ,,Het vaste contract behouden om het leven van bankiers makkelijk te houden, dat is geen overtuigend argument. Banken moeten gewoon beter hun best doen om kredietwaardige klanten te scheiden van potentiële wanbetalers. De koppeling benadrukt vooral het onrechtvaardige van de tweedeling op de arbeidsmarkt. Outsiders met flexibele contracten worden ook nog eens gediscrimineerd op de kapitaalmarkt.''
In de voorstellen van Kalshoven blijven de lagere inkomens in eerste instantie buiten schot. Tijdelijke contracten en het opheffen van traditionele zekerheden vanaf een jaarinkomen van 40.000 euro, is zijn pleidooi. Klaarblijkelijk zijn we er nog niet allemaal klaar voor...
De politica
Veel medestanders heeft Kalshoven niet voor zijn plannen om vaste contracten helemaal af te schaffen. Zelfs bij de meest vooruitstrevende vakbond willen ze er niet aan. 'Economenwijsheid' noemt PvdA-kamerlid Mei Li Vos het. Zij was een van de oprichters van het Alternatief Voor Vakbond (AVV), een beweging die is ontstaan uit het ongenoegen over de wat al te eenzijdige focus van de traditionele vakbond. Volgens Vos hebben de vakbonden jarenlang vooral de belangen van de oudere werknemers behartigd. ,,Het is raar dat alleen vakbondsleden inspraak hebben in CAO-onderhandelingen. Iedereen laten stemmen is democratischer. Daar krijg je betere CAO's van omdat er dan rekening wordt gehouden met de belangen van alle werkenden en alle generaties.''
En zo vinden Vos en Kalshoven zich wel in de conclusie dat door de focus op vaste contracten scheve verhoudingen zijn ontstaan. Vos: ,,In het huidige systeem worden onevenredig veel risico's gedragen door flexwerkers. Mensen met korte en tijdelijke contracten hebben veel minder rechten en bouwen weinig of geen pensioen op. Jongeren kunnen daar misschien nog wel even tegen, maar er is een groep oudere vrouwen die op die manier overal buiten valt.''
Om werkgevers meer mogelijkheden te geven mensen op tijdelijke basis te werven en tegelijkertijd werknemers met los-vast en nul-urencontracten bescherming te bieden, werd de Flexwet in het leven geroepen. Een wet die volgens Vos tekortschiet. ,,De Flexwet biedt te weinig zekerheden. En dan heb ik het niet over de zekerheid van een uitkering, maar over de zekerheid dat je weer aan het werk komt; de zekerheid dat je zonder werk meteen je huis kwijtraakt. Je kunt af en toe je baan verliezen, en dat is helemaal niet erg zolang je maar weet dat je weer aan de bak komt.''

‘Heeft investeren in reïntegratie zin?
29-03-2008
Er is de laatste tijd in Den Haag en in de media veel over gediscussieerd: heeft Nederland er de laatste jaren wel goed aan gedaan om zoveel geld en energie te steken in reïntegratie?
Ik denk er heel anders over. Duizenden gedreven en professionele dienstverleners werken elke dag met mensen met een uitkering aan het verbeteren van hun kansen op de arbeidsmarkt. Zij werken aan hun vaardigheden, helpen ze bij het solliciteren, coachen ze op hun weg van een uitkering naar betaald werk. Dat is soms een weg van vallen en opstaan, maar zonder meer de moeite waard.
Tegenwoordig slagen reïntegratiebedrijven er in veertig tot vijftig procent van de kandidaten aan werk te helpen.
Reïntegratiebedrijven pakken steeds uitdagender klussen op. Zij gaan nu ook meer aan de slag met structureel werklozen, die al jaren ver buiten het arbeidsproces staan. Het zijn veelal mensen in de bijstand die een flinke achterstand moeten inhalen. Zij hebben gemiddeld vrij veel tijd en aandacht nodig en de slagingspercentages zijn uiteraard lager.
En hebben al die inspanningen nut? Ook ik vind het fantastisch als iemand snel aan het werk blijkt te kunnen en er voortaan in slaagt zelf in zijn levensonderhoud te voorzien. Maar ook als dat niet direct lukt, is er vaak toch iets bereikt. Ik ben het eens met staatssecretaris Aboutaleb, die er onlangs op wees dat reïntegratieactiviteiten een kwetsbare groep in de samenleving kunnen activeren, kunnen wakker schudden. Investeren in deze mensen heeft zin, ook als dit niet direct uitmondt in een vaste baan.
Reïntegratie is de moeite waard, kijk maar naar het project 'Effe Werken' in Amsterdam-Noord, dat circa zeventig hangjongeren aan een baan of een werkervaringsplek heeft geholpen. Onze reïntegratiespecialisten zijn met hangjongeren in het stadsdeel na een intensieve voorbereiding bij verschillende opdrachtgevers van Randstad langsgegaan voor persoonlijke bemiddeling. Sommige jongeren uit de groep werken inmiddels bij het stadsdeel, anderen zijn doorgestroomd naar een werkervaringsproject. Deze jongeren hebben nieuw perspectief en hun afstand tot de arbeidsmarkt is werkelijk verkleind.
U begrijpt: ik vind het zéker de moeite waard dat de samenleving blijft investeren. Het liefst met een duidelijke en bewezen aanpak die mensen sterker, vaardiger en waardevoller maakt op de arbeidsmarkt.
Roland Berendsen, directeur operations van Randstad Nederland
Als het maar plezier oplevert Welke loopbaan volg jij...
29-03-2008
De tijd dat de ideale loopbaan recht omhoog de organisatieladder op ging, is voorbij. Jongeren willen zichzelf ontwikkelen en het einddoel is allang niet meer de functietitel ‘baas’.
Vader heeft het perfecte carrièrepad doorlopen. Hij is onderaan de ladder begonnen, in het magazijn. Via de avondschool werkte hij zich al snel op tot chef magazijn, maar daar eindigde het natuurlijk niet. Hij volgde nog een opleiding, at, dronk en sliep op kantoor en werkte zichzelf op tot chef logistiek. De laatste jaren van zijn loopbaan verliepen als een droom. Hij viel op binnen het managementteam en uiteindelijk werd het onmogelijke geachte toch werkelijkheid: hij werd de baas van de onderneming. Sterker nog, hij werd chief executive officer , oftewel ceo, want de naam directeur was in de tussentijd uit de mode geraakt voor zo’n hoge functie. Je telde pas echt mee in de zakelijke wereld als je een Engelse functietitel had. Nu heeft vader een teleurstelling te verwerken. Zijn zoon was voortvarend gestart bij een grote multinational als management trainee. Hij had zich al opgewerkt tot key account manager – dure woorden voor een vertegenwoordiger die de grote klanten onder zijn hoede heeft – maar nu heeft hij een verontrustende mededeling. Hij gaat weg bij het bedrijf. En niet omdat hij een nog betere functie gaat bekleden bij een ander bedrijf. Nee, hij gaat iets heel anders doen. Hij gaat zich bezighouden met de ontwikkeling van producten en niet meer met het verkopen ervan. Waren dit soort gesprekken in Nederlandse families tot voor kort uitzondering, ze komen momenteel steeds vaker voor. En de verwachting is dat dit in de toekomst alleen maar gaat toenemen. De jonge generatie is niet langer geïnteresseerd in het verzamelen van imposante en ingewikkelde functietitels zoals chief financial officer , senior implementation manager of brand manager . Ze werken vooral om plezier te hebben en om zichzelf te ontwikkelen. Jongeren die nu de arbeidsmarkt betreden worden omgeschreven als mensen die ondernemer zijn in hun eigen talent. Waar ze dat talent inzetten, hangt af van de toegevoegde waarde. Leer ik nog wel genoeg? Vind ik mijn baan en dit bedrijf nog steeds leuk? Sluit mijn werk op dit moment aan bij mijn persoonlijke ambities? Dit zijn de vragen die de nieuwe generatie werkenden veel meer bezighoudt dan: hoe kan ik hier zo snel mogelijk de baas worden? Bedrijven en andere betrokkenen moeten hier rekening mee houden. ‘Grote groepen studenten en net-afgestudeerden zijn voornamelijk bezig met persoonlijke ontwikkeling’, vertelt Norman Schreiner, docent loopbaanmanagement aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. ‘Ze willen verbreden, verbreden, verbreden. Dit betekent dat ze om de zoveel jaar iets anders willen doen dat niet pal in het verlengde van het vorige ligt.’ Uiterlijke loopbaan Het was voor bedrijven vroeger allemaal zo lekker simpel. Werknemers waren mannen die fulltime werkten en de loyaliteit was enorm. Ze waren namelijk vaak in hun eentje verantwoordelijk voor het gezin. Zij waren de kostwinner en de vrouwen waren thuis bezig met de kinderen. ‘Een geslaagde carrière werd veelal beschouwd als een uiterlijke loopbaan’, verklaart Schreiner. ‘Dat betekent een optelling van tientallen jaren ordentelijk en vlijtig presteren voor die ene werkgever.’ De drive om jezelf omhoog te werken was groot. Logisch, want des te hoger in de rangorde, des te meer salaris en des te makkelijker de thuissituatie. Met het groeien van het zelfbewustzijn van de nieuwe werkende mensen en de individualisering van de maatschappij verandert deze traditionele rol. De nieuwe generatie wil meer dan een zogeheten uiterlijke loopbaan. ‘Het willen is belangrijker geworden. Vroeger werd bepaald wat je kon en daarin probeerde je jezelf te ontwikkelen. Nu bepalen mensen wat ze willen en handelen ze daarnaar.’ En dus zijn er naast de traditionele, lineaire loopbaan waar je zo hoog mogelijk binnen één organisatie probeert te komen, andere typen loopbanen die mensen nastreven. Vooral de transitoire en de cyclische loopbaan zijn aan een opmars bezig. Mensen die een transitoire loopbaan navolgen zijn de avonturiers. Hun loopbaan wordt gekenmerkt door inconsistentie. Dit zijn de mensen die door de buitenwereld vaak worden gezien als mensen zonder doel in hun loopbaan. Mensen die eerst skileraar zijn, dan gaan studeren en het bedrijfsleven ingaan, om uiteindelijk te beslissen dat ze leraar willen worden. Deze groep is groeiende. De programma’s met mensen die hun leven willen omgooien, zijn niet weg te denken van de televisie. Een goed voorbeeld is Het roer om , waar mensen met een traditionele loopbaan iets compleet anders gaan doen. Een hotel runnen in Frankrijk. Of geluidsapparatuur voor feesten verhuren in Spanje. Naast deze loopbaan bestaat de specialistische loopbaan. Dit zijn de vakidioten onder ons. De professoren of de mensen die in het laboratorium werken. Deze mensen willen niks te maken hebben met meer verantwoordelijkheid of andere invalshoeken. Zij willen de beste worden in hun vak. Zelfontplooiing Volgens Schreiner groeit een ander type loopbaan het sterkst het sterkst onder jongeren: de cyclische loopbaan. Mensen die deze loopbaan ambiëren, wisselen om de vijf à zeven jaar van baan. Hun doel is om persoonlijke ontwikkeling te vinden binnen aanverwante functies. Dit is de verkoper die wil leren wat hij verkoopt en dus de productontwikkeling ingaat. Of de makelaar die wel weet hoe hij een huis aan de man moet brengen, maar nu weleens wil leren hoe hij een huis moet ontwerpen. Dat het Schreiner opvalt dat dit type carrière onder jongeren steeds vaker voorkomt, is niet verwonderlijk. Het idee is namelijk dat je jezelf verder ontwikkelt door nieuwe vaardigheden aan te leren. Precies wat de nieuwe generatie wil. Zelfontplooiing. Er zijn vier factoren die hebben bijgedragen aan het feit dat mensen zelf verantwoordelijkheid nemen voor hun loopbaan, volgens Schreiner. De invloed van vorige generaties, periodieke afslanking, de vrouw die steeds meer gaat werken en zelfstandigheid van de nieuwe generatie. ‘De ouders van deze generatie hebben in hun werkende leven teleurstellingen moeten verwerken. Het bedrijf bleek niet heilig te zijn, een contract voor het leven ook niet. Dit hebben ze doorgegeven aan hun kinderen.’ Tot die teleurstellingen behoorden de vele afslankingsprocessen. Bedrijven moest in de jaren tachtig en negentig op grote schaal mensen ontslaan. De arbeiders werden wakker geschud. Ze konden niet rekenen op één bedrijf dat voor hen zou zorgen. Vrouwen die steeds meer zijn gaan werken, hebben het ideale loopbaanpad ook drastisch veranderd. Waar de man vroeger kostwinnaar was, delen ze nu vaak de kosten. Voor beide partijen betekent dit dat eigen ontwikkeling centraler kan staan. Van baan wisselen wordt makkelijker, want de rekeningen kunnen ook met het andere salaris worden betaald. Aan de andere kant betekent het ook dat partners rekening houden met elkaars loopbaanwensen. Bij expats – medewerkers die door hun bedrijf naar het buitenland worden gestuurd – is deze trend al langer zichtbaar. Multinationale bedrijven hebben grote moeite om mensen bereid te vinden om de stap te maken. Ambassades ook. Vroeger kwam de man simpelweg thuis met de mededeling: we gaan een paar jaartjes weg. Nu is dat niet meer zo makkelijk, want de partner heeft vaak ook een carrière. De vierde en belangrijkste reden ligt in de nieuwe generatie zelf. In vergelijking met vroeger zijn ze zelfstandiger en zelfredzamer. ‘In tegenstelling tot vroeger bemoeien ouders zich zo min mogelijk met de loopbaan van jongeren, ze laten hen zelfstandig kiezen’, vertelt Schreiner. Dit is misschien maar goed ook, want de nieuwe generatie duldt geen inspraak. De jongeren van generatie Y, zoals ze vaak worden genoemd, vinden hun eigen weg wel. Ze zijn gewend snel te schakelen en zijn opgevoed met het idee dat ze alles kunnen bereiken wat ze willen. Door de huidige technologie verzamelen ze binnen no-time de informatie die ze willen voor een bepaalde keuze. Hierdoor zijn ze zelfverzekerd en vaak niet te stoppen. Of ze nou een hotel willen beginnen, kunstenaar willen worden, weer willen studeren of key account manager worden. Als zij het willen, gebeurt het. p Lineair? Dan wil jij zo snel mogelijk naar de top. Baas worden is jouw hoofddoel. Specialistisch? Jij wilt de beste worden in je vak. Promotie interesseert jou niet. Vakliteratuur wil je! Cyclisch? Jij wilt verbreding. Alweer hetzelfde? Alsjeblieft niet. Het vakgebied interesseert je wel, maar je functie heb je na een paar jaar wel gezien. Iets anders graag. Transitoir? Je bent geboren voor het avontuur en je wilt zoveel mogelijk verschillende dingen doen. Dan weer op kantoor, dan weer in het buitenland, dan weer eigen ondernemer. Alles kan en alles mag.

Niet alleen jonge moeders kiezen voor deeltijd
28-03-2008
De combinatie van werk en zorg is niet de enige reden voor Nederlandse vrouwen om te kiezen voor een deeltijdbaan. Zelfs als ze geen jonge kinderen (meer) hebben, werken vrouwen meestal niet fulltime. Mannen werken juist opvallend weinig in deeltijd. Dit zijn de voornaamste uitkomsten van het onderzoek Nederland deeltijdland; Vrouwen en deeltijdwerk van het Sociaal en Cultureel Planbureau.
Vaak wordt gedacht dat de arbeidsparticipatie van vrouwen afhangt van de aanwezigheid van (financiële) voorzieningen waarmee gezinnen werk en zorg beter kunnen combineren. Als er maar voldoende en betaalbare kinderopvang is, er goede verlofregelingen zijn en werkgevers zich wat flexibeler opstellen, dan gaan vrouwen vast wel meer werken, is de opvatting. Ook leeft de gedachte dat mannen – en dan in het bijzonder jonge mannen – minder uren willen gaan werken, als ze de keus hebben. Daarmee zou er ook meer evenwicht komen in de verdeling van de zorgtaken tussen mannen en vrouwen en dat zou de emancipatie ten goede komen. Senioronderzoeker Wil Portegijs van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) heeft dit samen met collega Saskia Keuzenkamp onderzocht.
Wat is de aanleiding voor het onderzoek ‘Nederland deeltijdland’?
Wij waren al bezig met een onderzoek naar deeltijd. Het werken van vrouwen in deeltijd is namelijk sinds 2005 geproblematiseerd. Afgelopen zomer werd op de Participatietop besloten tot de oprichting van de Taskforce Deeltijdplus. Ons werd gevraagd (door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) om voor die Taskforce zaken op een rijtje te zetten, zoals de ontwikkelingen op dit terrein en de invloed van culturele factoren op de arbeidsduur. Dat laatste is één van de invalshoeken van de Taskforce. We hebben dat grote deeltijdproject even opzij gezet en dit onderzoek gedaan. We zijn nu weer verder gegaan met het grote project waarbij we gebruik maken van de bevindingen van ‘Nederland Deeltijdland’. Daarvoor doen we interviews, vooral met vrouwen die geen jonge kinderen (meer) hebben en in deeltijd werken. We vragen naar hun motieven.
Vaak werd gedacht dat het praktisch combineren van zorgtaken met werk de belangrijkste reden is voor deeltijdwerk, maar dat blijkt niet zo te zijn. Voor ons was dat al niet verrassend meer. Alleen was bij de buitenwereld het kwartje nooit gevallen. Als je ziet dat driekwart van de werkende vrouwen een deeltijdbaan heeft, dan kunnen dat natuurlijk nooit allemaal moeders met jonge kinderen zijn.
Waarom wordt deeltijdwerken tegenwoordig als een probleem gezien?
Het is lange tijd door overheid en vrouwen omarmd als beste oplossing voor de combinatie van arbeid en zorg. Het is duidelijk dat het ook een aantal nadelen heeft. Het vormt een obstakel voor de doorstroming van vrouwen naar hogere functies. Ook belemmert het de economische zelfstandigheid van vrouwen. Tegelijkertijd wordt overal gezocht naar arbeidspotentieel als gevolg van de ontgroening en de vergrijzing en om de verzorgingstaat in stand te houden. Staatssecretaris Jet Bussemaker heeft wel eens gezegd: ‘als alle vrouwen in de zorg twee uur meer zouden gaan werken, dan is het tekort aan personeel in de zorg opgelost’. De Taskforce wil vooral vrouwen met kleine deeltijdbanen meer laten werken.
Uit uw onderzoek blijkt dat een derde van de vrouwen en meer dan de helft van de mannen vindt dat vrouwen het meest geschikt zijn voor de verzorging van kleine kinderen. Heeft u enig idee waarom Nederland nog steeds zo conservatief denkt?
We hebben geen idee. Dat vrouwen werken, is geen issue meer in Nederland, maar een voltijdbaan voor jonge moeders, dat hebben we liever niet. Deze opvatting is juist weer wat sterker geworden.
In de discussie over deeltijdwerk gaat het meestal over vrouwen, maar hoe zit het eigenlijk met mannen?
Veel mannen die in deeltijd werken, zijn studenten met een bijbaantje en mannen die naar hun pensioen toe aan het afbouwen zijn. Mannen met kleine kinderen werken gewoon door. Diezelfde groep (84% daarvan) geeft aan dat ze minimaal 35 uur per week willen werken. Ik vind dat teleurstellend, maar we weten niet wat de overwegingen zijn. Op dit moment hebben we van mannen dus niet veel te verwachten, ook al vinden veel mensen (ook mannen) wel dat jonge vaders iets minder zouden moeten werken. Het anderhalf model blijft dus overeind.
Veel mensen hebben echter de indruk dat steeds meer jonge vaders 32 uur werken. Hoe is dat te rijmen met deze cijfers?
Die perceptie had ik ook, maar dat blijkt in de praktijk anders te zijn. Het komt vooral voor bij hoger opgeleiden, maar het is nog niet breed verspreid over alle lagen van de bevolking.
U heeft ook een internationale vergelijking gemaakt. Hoe pakt dat uit voor Nederland?
Dat hangt er vanaf waarnaar je kijkt. Met fulltime werken liggen we internationaal gezien absoluut achter. In Nederland ligt het percentage voltijd werkende vrouwen al jaren stabiel op 21% (van alle vrouwen). Aan de andere kant is de arbeidsparticipatie van vrouwen hier hoog (68%). Alleen in Denemarken, Noorwegen, Zweden en Zwitserland hebben meer vrouwen betaald werk. In Duitsland bijvoorbeeld zie je dat vrouwen vaak stoppen met werken als ze kinderen krijgen en later als de kinderen groter zijn, weer de arbeidsmarkt op gaan. Op dat gebied loopt Nederland dus voor. Het is beter om op je plek te blijven (ook al is het in deeltijd) dan er helemaal uit te stappen.
In Nederland werkt 75% van de werkende vrouwen in deeltijd, terwijl dat in de EU-landen gemiddeld 41% is. Het blijkt dat in verschillende landen vrouwen wel meer in deeltijd willen werken, maar dat bijvoorbeeld om financiële redenen niet doen. Het is dus ook een verworvenheid. Opvallend is in Nederland ook dat vrouwen al minder werken voordat ze kinderen krijgen en de arbeidsduur niet sterk omhoog gaat als ze geen kleine kinderen meer hebben. We kunnen ons de vraag stellen of het wenselijk is dat vrouwen in die levensfases weinig blijven werken. De vraag is of we ons dat kunnen permitteren.
Wat is er mis mee als vrouwen blijkbaar niet fulltime wíllen werken?
Je haalt daardoor andere emancipatiedoelen niet. Aan de andere kant, wie zijn wij om te zeggen dat economische zelfstandigheid noodzakelijk is? Je kunt ook moeilijk mensen (mannen en vrouwen) verplichten om bijvoorbeeld 32 uur te werken. Dat zou te veel zijn voor veel vrouwen en te weinig voor veel mannen op dit moment. Het zou wel veel problemen oplossen als mannen en vrouwen zo’n grote deeltijdbaan hadden, maar nu sluit het niet aan bij wat mensen willen.
Tegelijkertijd is de behoefte aan arbeidskrachten groot, maar dat heeft niets met emancipatie te maken. Ik vind – maar dat is mijn persoonlijke opvatting – dat de problematiek te veel vanuit de arbeidsmarktoptiek wordt bekeken. Er wordt sterk de nadruk gelegd op de waarde van arbeidsparticipatie voor de economie en te weinig op de waarde ervan voor het individu.
Wat betekent dat voor beleidsmakers?
Het moet duidelijk zijn dat financiële prikkels niet voldoende zijn. Daar is al veel aan gedaan. Er worden al dingen in het belastingstelsel geregeld en kinderopvang is goedkoper geworden. Nu moet er aan de culturele touwtjes worden getrokken. Dat is niet zo simpel, maar wel nodig. We onderzoeken ook wat werkgevers kunnen doen. Nu moeten mensen carrière maken als ze tussen de 25 en 45 jaar oud zijn. Tegen de tijd dat vrouwen meer beschikbaar zijn, hebben ze de boot gemist, terwijl ze na hun 45ste nog twintig jaar kunnen werken. Dat betekent dat je een levensloopbewust personeelsbeleid moet voeren.
Het is heel belangrijk dat we zien dat we er niet zijn met praktische maatregelen en dat deze opvattingen over deeltijdwerk en de rol van mannen en vrouwen bestaan. Emancipatie is absoluut niet af. We zijn pas halverwege wat mij betreft. De volgende stap is dat vrouwen wat meer gaan werken en mannen wat minder. Dat is ook goed voor kinderen, lijkt mij.
Karin Kosmeijer

Recordaantal werklozen integreert dankzij UWV
28-03-2008
amsterdam
Uitkeringsinstantie UWV heeft 'het beste jaar ooit' achter de rug. Een recordaantal van 52.000 werklozen konden met hulp weer aan de slag.
amsterdam Uitkeringsinstantie UWV ziet haar werk steeds meer verschuiven naar hulp aan werklozen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Het lukt steeds beter hen aan de slag te helpen, constateerde gisteren topman Joop Linthorst bij de presentatie van het verslag over 2007.
Niet eerder presteerde UWV zo goed bij reïntegratie. Bijna 52.000 cliënten gingen na een traject of met intensieve begeleiding van een reïntegratiecoach weer aan het werk. De nieuwe aanpak met coaches helpt meer werklozen sneller aan een baan en tegen lagere kosten, blijkt uit onafhankelijk onderzoek. De cliënten gaven de instantie ook een beter rapportcijfer: 6,7 (in 2006 6,1).
Er zijn ook zorgen: terwijl het aantal uitkeringen over de hele linie daalt, klopten steeds meer jonggehandicapten aan voor een Wajong-uitkering. Een kwart van de nieuwe aanwas kwam vorig jaar uit de bijstand. Zelden of nooit is moeite gedaan deze gehandicapten via een reïntegratietraject te activeren, zegt UWV-bestuurder Annette Dümig.
De uitkeringsinstantie hoopt met name op maatregelen van minister Donner om de instroom te beperken. Verder moet er meer worden gedaan om de jonggehandicapten te laten participeren. Ongeveer een derde van de Wajong'ers zal nooit kunnen werken, maar 60.000 van de huidige 166.000 hebben mogelijkheden om te participeren, schat het UWV.
De uitkeringsinstantie wil zich er dit jaar extra voor inspannen, onder meer door werkgevers beter in contact te brengen met deze jonggehandicapten. Ook de particuliere reïntegratiebedrijven 'moeten een been bijtrekken' door er meer aan (vrijwilligers)werk te helpen, aldus Dümig. Voor een versnelde reïntegratie van Wajong'ers is meer geld nodig.
Een belangrijke ontwikkeling was vorig jaar de steeds nauwere samenwerking met het CWI, het voormalige arbeidsbureau. De instanties moeten in 2009 fuseren en Linthorst wordt vanaf de zomer ook topman van het CWI. De samenvoeging is niet pijnloos: het krimpende UWV (7000 banen zijn verdwenen sinds 2003) zal verder moeten inbinden, evenals het CWI. Linthorst rekent op een verlies van 1500 banen.
De prijs van China wordt steeds hoger
28-03-2008
SHANGHAI
SHANGHAI De eerste signalen van een sterke loongolf in China zijn er: als gevolg van de inflatie gaan de minimumlonen in Shanghai met ingang van volgende week omhoog met bijna 15 procent. Het minimum nettoloon per maand wordt 960árenminbi, ofwel bijna 100áeuro.
Shanghai was de eerste Chinese stad die het minimumloon invoerde. Sinds 1993 zijn er elk jaar verhogingen doorgevoerd, en de nieuwe stap is de grootste in de geschiedenis. Dat komt omdat de prijzen in China de afgelopen maanden sterk zijn gestegen. De inflatie schommelt nu rond de 7áprocent, ondanks pogingen van de regering om prijsstijgingen te drukken.
De verwachting is dat elders in China de lonen dit jaar ook fors omhoog zullen gaan. Hiermee wordt de traditionele positie als lagelonenland steeds meer aangetast. De afgelopen paar jaar was er al een duidelijk opwaartse loontrend, vooral in de bijna drieduizend kilometer lange fabrieksgordel aan de kust.
Steeds meer bedrijven klagen over de oplopende lonen in China. Aan de top van de arbeidsmarkt, bij buitenlandse banken, verzekeringsmaatschappijen, chemische bedrijven en dergelijke die vestigingen in China hebben, worden regelmatig voor specialisten als accountmanagers, bankiers en procesmanagers al salarissen betaald die hoger liggen dan voor vergelijkbare functies in Europa. Oorzaak is de schaarste van ervaren Chinees personeel in dit segment van de markt, en de sterke neiging om veel te 'jobhoppen' om een zo hoog mogelijk salaris af te dwingen.
Ook het binnenland wordt al minder goedkoop, beschrijft Alexandra Harney in haar nieuwe boek The China Price. Niet alleen gaan de lonen daar snel omhoog (soms een verdubbeling in een tot twee jaar tijd) , maar ook de transportkosten en de materiaalkosten zitten de laatste tijd in de lift.
De opwaartse trend versterkt de stimulans bij bedrijven goedkopere vestigingslocaties te vinden. Vietnam profiteert hier al enkele jaren van. Voor tal van firma's is het echter lastig om China te verlaten omdat praktisch de hele productieketen er inmiddels zit en de binnenlandse afzetmarkt van het land steeds belangrijker wordt.
Niet alleen de lonen in China stijgen, de regering moet door de inflatie ook de uitkeringen opkrikken. In Shanghai gaat de WW met zo'n vijftien procent omhoog, tot zo'n 45 euro per maand. De gemeente van 18ámiljoen inwoners telt ruim 450 duizend officiële werklozen. Relatief weinig Chinese werkers kunnen aanspraak maken op 'n uitkering, omdat veel mensen in de informele sector of als zelfstandige werken en bedrijven geen premies afdragen.
Hans Moleman

‘Arbeidsmarkt komt in rustiger vaarwater
28-03-2008
Op dit moment is sprake van een zeer gespannen bouwarbeidsmarkt. Met name aan middenkaderfunctionarissen bestaat een grote behoefte. Vraag is: zal de problematiek verder verscherpen of geleidelijk wat afnemen? De afgelopen jaren is het aantal mbo’ers (BOL4, bouw en infra) met 25.000 ongeveer constant gebleven. Het aandeel BOL4-gediplomeerden in de bouw en infra bedraagt ongeveer 1800. Hiervan stroomt een kwart door naar de bouwarbeidsmarkt, dit wil zeggen zo’n 450 personen. De meeste mbo’ers stromen door naar het hbo, dat een steeds belangrijkere voedingsbron lijkt te worden voor het middenkader in de bouw. In 2006 slaagden rond de 1700 leerlingen voor de hbo bouwrichtingen. Als hier eveneens een kwart instroomt, dan dan is de totale omvang van de instroom vanuit de opleidingen voor het middenkader een kleine 900 personen. Voor de uitstroom zijn vooral gepensioneerden en arbeidsongeschikten van belang. Bij een bestand van gemiddeld 25 duizend werknemers in de middenkaderberoepen wordt het percentage gepensioneerden geschat op 2,5 procent en het percentage WAO’ers op 0,2 procent, ofwel circa 700 werknemers moeten worden vervangen om de werkgelegenheid op peil te houden. De bruto in- en uitstromen zijn mede door bedrijfstakverlaters beduidend groter, maar worden (grotendeels) gecompenseerd door instromers uit andere bedrijfstakken. Voor de uitbreidingsvraag resteren dus ongeveer 200 personen. Vanuit de opleidingen bezien kan de uitvoerende bouw dus ongeveer met 1 procent per jaar toenemen. Als de productiegroei gaat afnemen zou het aanbod ongeveer voldoende moeten zijn om de vraag op te vangen. Daarvoor moet het aanbod vanuit de opleidingen op peil worden gehouden. En hier liggen risico’s. Zo is in het hbo in de bouwsectoren de gediplomeerde uitstroom van 2002 tot 2006 met 16 procent gedaald. Het is dus zaak om deze neerwaartse trend om te buigen. Er is geen reden tot paniek, maar we kunnen ook niet achterover leunen in de slag om voldoende, kwalitatief goed personeel.
UWV, CWI en gemeente werken eind 2008 samen
28-03-2008
Amsterdam - Ria Cats
Uitkeringsinstituut UWV en het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) willen uiterlijk eind dit jaar overal in hun bedrijfsverzamelgebouwen een geïntegreerde samenwerking met gemeenten hebben ingevoerd. De tripartiete aanpak moet leiden tot één aanspreekpunt voor werkgevers en werkzoekenden voor het melden van vacatures en het zoeken naar een baan.
Dit zei bestuursvoorzitter Joop Linthorst van het UWV donderdag in een toelichting op het jaarverslag. De samenwerking tussen CWI en UWV, die in 2007 is geïntensiveerd, moet op 1 januari 2009 uitmonden in een fusie, zo bepaalde het kabinet in oktober. UWV en CWI streven ernaar dat ook hun samenwerking met gemeenten eind 2008 voor 90% functioneert in de verzamelgebouwen. Nu gebeurt dat in de helft van de gevallen.
De samenvoeging van UWV en CWI moet een bezuiniging van euro 127 mln opleveren. 'Dat is geen kattenpis', aldus Linthorst. Onder meer schrappen het CWI en het UWV 1500 banen, zo werd eerder bekend. Deze staan, volgens Linthorst gisteren, vooral op de tocht bij het 'frontoffice' bij het CWI, waar werkzoekenden zich melden voor werk en een uitkering.
Momenteel werken de fusiepartners samen aan een bedrijfsplan over de termijnen, waarbinnen de fusie moet worden geïmplenteerd. 'Onze inzet is om dit zodanig te organiseren dat de dienstverlening op peil blijft', aldus Linthorst die zegt te hopen dat 'de politiek' hem daarvoor de tijd geeft.
Het UWV is reeds verwikkeld in de nasleep van enkele reorganisaties, waarbij sinds 2003 al 7000 banen werden geschrapt. Verreweg de meeste afgevloeide werknemers gingen via outplacement-trajecten van werk naar werk. 'Slechts enkele tientallen zijn ontslagen', aldus Annette Dümig van de raad van bestuur.
Het motto 'van werk naar werk' blijft ook de inzet bij de nieuwe reorganisatieronde bij de fusie van CWI en UWV. Tegelijkertijd verdwijnen er nog banen bij het UWV, omdat dit orgaan steeds minder cliënten krijgt. Ook vanwege de invoering van een nieuw automatiseringssysteem zijn minder werknemers bij de 'backoffice' nodig. Linthorst: 'Dit is niet pijnloos. We moeten kiezen over hoeveel bedrijfsverzamelgebouwen het CWI en het UWV straks betrekken. En we moeten ons toeleggen op doelgroepen als werklozen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.'
Het UWV zegt wel 'veel' van de fusie te verwachten. Zo kunnen departners gezamenlijk re-integratiemiddelen inkopen en vraag en aanbod op de regionale arbeidsmarkt beter afstemmen. Tegelijkertijd hoopt het UWV dat de re-integratiegelden die gemeenten overhouden, voor de UWV-cliënten kunnen worden ingezet.
'Parel' in de nieuwe werkbedrijven is volgens Dümig straks UWV-vinding 're-integratiecoach'. Dezecoaches hielpen in 2007 21.000 werkzoekenden en deels arbeidsongeschikten succesvol aan het werk. De commerciële re-integratiebureaus kregen nog eens 31.000 moeilijk bemiddelbaren aan de slag. Dat totaal van 52.000 mensen is een record voor het UWV en een toename van 12.000 cliënten ten opzichte van 2006. Het instituut behaalde daarmee ruim het kabinetsstreven van 40.000 werklozen.
Linthorst noemde 2007 'ons beste jaar tot nu toe', omdat ook de klanttevredenheid steeg, het aantal klachten afnam en uitkeringen sneller werden betaald. Smet op het jaarverslag bleek de loonaangifteketen die conform de operatie-Walvis via de Belastingdienst naar het UWV loopt. Volgens Linthorst zijn de ICT-problemen in de loop van 2007 verbeterd. 'De samenwerking met de Belastingdienst verliep eerst niet optimaal. Maar sinds 1 januari zijn er 1 miljoen loonaangiftes ingediend De uitval blijkt nu minder dan 0,5%. Dat is normaal bij zulke operaties.'
Tot slot beleefde het UWV de volgens Dümig 'unieke situatie' dat het aantal aanspraken op alle uitkeringen afnam, behalve op de Wajong. Het UWV rekent erop dat minister Donner van Sociale Zaken in mei met voorstellen komt om jonggehandicapten op school al voor te bereiden op werk. Dat zou de instroom verminderen. Dümig: 'Alle prikkels moeten worden ingezet op activering.'
Fusie CWI en UWV
Werkplein van CWI en UWV is baanverlies voor frontoffic
|